Mijn opa kan in een tijger veranderen

Column BKinformatie, juni 2010.

Yogyakarta is de tweede stad van het eiland Java, het dichtstbevolkte eiland van één van de dichstbevolkte landen ter wereld. Hier krioelen 3 miljoen mensen rond, toch voelde het helemaal niet zo grootstedelijk aan als ik had vermoed. Vooral het zuiden, waar Rumah Cemeti zit en waar ik voor 3 maanden woonde, heeft meer iets weg van een dorp. Er is uitsluitend laagbouw, tussen de grotere verkeersaders in ligt een doolhof van steegjes, met hier en daar zelfs nog een verzadigd groen rijstveldje.
Toen ik aankwam, waren de vorige twee kunstenaars van het Landing Soon programma er nog; ik was zelfs net op tijd voor een presentatie van Nederlandse geluidskunstenaar Cilia Erens, die in de tentoonstellingsruimte van Cemeti aan een klas architectuurstudenten vertelde over haar werk. Ook onze assistente Agni ontmoette ik daar al, en in het ‘Pink House’ op Jalan Tirtodipuran, waar de woon-en werkruimtes zijn, trof ik even later Cilia’s ‘residency-partner’, Octora, uit Bandung. Mijn eigen residency-partner Wiyoga kwam pas een paar dagen later over uit Bandung. Ook werd ik verwelkomd door Mella Jaarsma en Nindityo Adipurnomo, eigenaars van Cemeti.
De perfect georganiseerde werkperiode hield van alles in: door Agni was een heel progamma ontworpen om mij en Wiyoga kennis te laten maken met allerlei kunstenaars. We werden meegetroond naar werkplaatsen, openingen en voorstellingen. We gaven verschillende presentaties over ons werk en over de uiteindelijke tentoonstelling, we gaven allebei een workshop.
Ik maakte kennis met veel aspecten van Yogyakarta in het algemeen, de kunstscene in het bijzonder. Die vond ik erg levendig, bij vlagen zelfs wild (volgetatoëerde mannen op motoren, allemaal met een eigen rockband! Of twee.) Kunstenaars vond ik verrassend actief en betrokken, zowel bij elkaar als bij het kunstdiscours. Het niveau lag hoog. Er leek ontzettend veel te gebeuren, ik had het idee dat er onder de kunstenaars een gretigheid, intensiteit en enthousiasme heerste die ons in Nederland vreemd is. Dat was erg verfrissend.

Van tevoren had ik bewust niet nagedacht over wat ik zou gaan maken daar in Yogya. Ik wilde dat mijn werk voort zou komen uit mijn directe ervaringen, dus ik ben met een open vizier gegaan. Wat ik wel wist, was dat ik niet wilde vervallen in exotisme, en ook dat ik, als vluchtige bezoeker, niet wilde bekritiseren. Ik wilde ook geen druk op mezelf leggen en niet verwachten dat ik tot voltooide werken zou komen. Ik wilde juist experimenteren, de boel een beetje op zijnn beloop laten.

Wat uiteindelijk vooral tot voedingsbodem heeft gediend voor het zestal werken dat ik heb gerealiseerd, was het gevoel referentieloos te zijn, dat ik ervoer in mijn positie als vreemdeling. De grote verschillen tussen de Nederlandse cultuur en de Indonesische, hoe radicaal anders alles hier was, deden mij realiseren hoe Nederlands ik was. Ik was hier aangekomen met mijn eigen setje Hollandse omgangsvormen, gewoontes, visies, waarden en normen. Met al die subtiele codes en ongeschreven regels die in Nederland zo vanzelfsprekend waren, maar die ik hier niet kon toepassen! Daarbij waren er natuurlijk ook allerlei Indonesische codes en ongeschreven regels die ik niet kende en niet kon aanvoelen. Er was een heleboel dat ik niet begreep, niet wist, kende, aanvoelde. Ik was geen deel van deze plek, een doofstomme buitenstaander, iets dat bevrijdend en eenzaam tegelijkertijd was.
Die culturele verschillen zaten ‘m in kleine dingen als een blik of een gebaar, maar gingen natuurlijk dieper, en raakten ook aan meer elementaire zaken.
Zo was er een gesprek aan tafel in het Pink House over bovennatuurlijke krachten, en vertelde één van de twee managers van de residency, Melisa, dat haar opa zich kon veranderen in een tijger. Dit werd doodnormaal gevonden, en anderen begonnen ook te vertellen over familieleden die zoiets konden. De mensen met wie ik dit gesprek voerde, waren absoluut niet gek, dus blijkbaar kon Melisa’s opa zich daadwerkelijk in een tijger veranderen... Ik vroeg me af: Als mensen hier tot zoiets in staat zijn, waarom kunnen wij dat in Nederland dan niet? Omdat we er niet in geloven? Omdat we met zijn allen af hebben gesproken met elkaar dat dat niet kan, dat het niet bestaat? Worden wij dus in die mate bepaald door het referentiekader gevormd door onze cultuur? Is een cultuur dan niet meer dan een set afspraken? Zouden wij, hypothetisch gesproken, tot alles in staat zijn zolang het maar binnen ons idee van ‘de waarheid’ past, zolang we er dus in kunnen geloven? En als ons onze waarheid dan zo bepaald word door onze cultuur, wat blijft er dan van ons als individu over? En kan er dan, als we blijkbaar zó van elkaar verschillen, tussen mij en mensen hier dan nog iets anders plaatsvinden dan een uitwisseling van misinterpretaties?
Voortvloeiend uit dit referentieloos-zijn kwam de wens om deze vragen verder te onderzoeken, en de wens om een connectie te maken met deze plek, de stad, de mensen. Om me deze plek eigen te maken, er onderdeel van te worden, maar ook om me erdoor te laten besmetten en te vormen.

Eén project, waar ik gelijk de eerste dag eigenlijk als opwarmertje, al mee was begonnen, was een programma van mini residency-tjes binnen mijn eigen residency. Elke week nodigde ik een andere kunstenaar uit om in mijn slaapkamer een werk te realiseren. Mijn stelregels waren dat het in de kamer zelf gemaakt werd, en dat de kunstenaar zou werken met die situatie. Ik was benieuwd naar wat voor werk er zou ontstaan in een setting weg van de publieke arena, in een intieme ruimte als een slaapkamer. Waar bovendien een overgave van zowel de kunstenaar als van mij nodig was. Ik bepaalde de regels, maar vervolgens moest ik me ook uitleveren aan de grillen van mijn gasten. Bij de spannendste werken werd die intimiteit dan ook inbreuk. Lugas Syllabus werkte bijvoorbeeld 3 nachten onder mijn bed, Mella Jaarsma onderwierp me aan eerst een ‘tattoo extension’, waarbij ze met een rode marker zowel mij als de muur van mijn kamer onder tekende, en daarna een ‘hair-extension’, waarbij ik lange strengen in mijn haar gevlochten kreeg, en vervolgens met mijn nieuwe haar aan de muur genageld werd. Restu Ratnaningtyas plaatste een op canvas geschilderde man in mijn bed, die daar tot mijn vertrek heeft gelegen. Cassandra Lehman-Schultz maakte een installatie van al mijn kledingstukken, die ik stukje bij beetje af moest breken om ze weer te kunnen dragen. Filmclub Kinoki organiseerde een screening van een filmprogramma.

Een ander project was het laten maken van de ‘Anomalies’. In een poging dat fenomeen ‘referentieloos-zijn’ wat breder en minder persoonlijk te benaderen, had ik verschillende immigranten in Yogya gevraagd om iets te omschrijven dat hun land van origine voor hen vertegenwoordigde. Dit waren mensen uit zowel dichterbij gelegen Aziatische landen, als mensen uit de V.S., Australië en Europa. De antwoorden, omschrijvingen van uiteenlopende objecten en taferelen, had ik meegenomen naar verschillende lokale handwerkslieden, met de opdracht om het omschrevene uit te voeren. Hierbij gaf ik geen verdere uitleg dan de antwoorden die ik zelf van de immigranten had gekregen. Een spannend project, ik liet immers aan de makers zelf over, hoe die uitheemse objecten en taferelen er dan wel uit zouden moeten zien. Zo werden die makers zelf onderdeel van het werk. Sommigen hadden er geen probleem mee om het spel mee te spelen, en te bedenken hoe zoiets als seizoenen, genoemd door een Japanner, of een Kriek biertje, genoemd door een Belg, er uit moesten zien. Maar het liep niet altijd even soepel. De smid die een kaasschaaf zou maken, wist bijvoorbeeld niet wat kaas was. Weer anderen, gewend aan het uitvoeren van een duidelijk gestelde opdracht, bleven maar aan me vragen hoe die familiefoto aan de Mediterrane kust, of die Paua schelp er dan uit moesten zien... Ik bracht als het ware mijn eigen ervaring van cultureel-in-het-duister-tasten over op deze uitvoerders.
Door de beruchte Indonesische ‘jam karet’, de ‘rubberen tijd’, kon ik net op tijd in de tentoonstellingsruimte een tafel en een muur inrichten met twaalf van deze ‘Anomalies’. Werken die niet meer uitheems waren en niet helemaal Indonesisch, en die vooral hun individuele makers weerspiegelden: hun conditionering, kennis of gebrek daaraan, beeldvorming, clichébeelden en fantasieën van en over al die landen.

Ondertussen beklom ik nog de Merapi, bezocht ik veelvuldig het immigratiekantoor en genoot ik van het eten. Saté van allerlei ingrediënten: kwarteleieren, oesters met zwarte peper, kippedarmen. Pecil, zoiets als gadogado, maar dan zonder kokos in de pindasaus, met lange witte gestoomde bloemknoppen en een soort spinazie en groene bonen. Ik dronk een drankje dat ‘vuilnis drankje’ genoemd werd: knalrode thee van restjes kruiden, bladeren en wortels met een grote brok ‘steensuiker’ er in, en ijs. Ook probeerde ik een Kopi Luwak: ‘The rarest coffee on earth’! Gemaakt van bonen die door een zuidoost-aziatische luwak, een civetkatachtige, zijn opgegeten en weer uitgpoept. Het schijnt dat de luwak alleen die bessen eet die precies rijp zijn, en dat de verterings-sappen de bittere smaak van de boon af halen, en bijdragen aan de rijke smaak van de koffie.
Mijn culinaire avonturen waren niet zonder nadeel: tien dagen voor de opening van de tentoonstelling kreeg ik ontzettende maagkrampen, diarree en moest ik overgeven. Toen mocht ik drie dagen aan een infuus liggen in het katholieke ziekenhuis Panti Rapih, met een Jezus aan het kruis boven mijn bed. Daar klonk om 8 uur ’s ochtends een zalvende stem uit verborgen luidsprekers, die op allerliefste toon onze lieve Heer prees, gevolgd door al even zalvende muzak.

De blog die ik voor Heden heb bijgehouden is nog te vinden:
http://heden.nu/2009/05/in-yogyakarta-heeft-iedere-kunstenaar.html